Glucose 5 % wordt door een arts of verpleegkundige toegediend. Uw arts beslist hoeveel u nodig heeft en wanneer het aan u toegediend wordt, wat afhankelijk is van uw leeftijd, gewicht, toestand, de reden voor behandeling en of de oplossing voor infusie gebruikt wordt om een ander medicijn toe te dienen of te verdunnen. De dosering kan ook afhankelijk zijn van andere gelijktijdige behandelingen.
Glucose 5 % mag NIET worden toegediend als de oplossing deeltjes bevat of de zak op een of andere manier beschadigd is.
Glucose 5 % wordt doorgaans in een ader toegediend via een plastic slangetje dat bevestigd is aan een naald. Meestal wordt een ader in uw arm gebruikt om de oplossing voor infusie toe dienen. Het is echter mogelijk dat uw arts beslist u het medicijn te geven via een andere toedieningsweg.
Glucose 5 % moet langzaam worden toegediend om te voorkomen dat u te veel urine produceert (osmotische diurese).
Vóór en tijdens de infusie zal uw arts de volgende zaken opvolgen:
ï‚· volume lichaamsvocht
ï‚· de zuurgraad van uw bloed en urine
 de hoeveelheid elektrolyten in uw lichaam (voornamelijk natrium, bij patiënten met hoge waarden van het hormoon vasopressine of bij patiënten die andere medicijnen nemen die de werking van vasopressine verhogen).